paulgielen.reismee.nl

Welkom Mr Clogs

Perth, een stad helemaal aan de andere kant van Australie, een stad waarvan ik nooit gedacht had dat ik daar daadwerkelijk naartoe zou gaan. Een maand lang bijna bij iemand wonen die ik acht maanden geleden maar een dag heb gezien, wat een fantastisch en achterlijk idee. In het vliegtuig kon ik alleen maar denken: 'Waar ben ik in Godsnaam aan begonnen?'

Aangezien het vliegveld van Perth net zo groot is als een schoenendoos, hoefde ik niet lang naar Gina te zoeken. Bovendien had zij mij eerder in de smiezen (en ik deed nog zo mijn best om niet op te vallen), dus dat maakte het al helemaal makkelijk. De klik was er direct weer, dus alle zorgen in het vliegtuig verdwenen als sneeuw voor de Australische zon.

Toen we een half uur later bij Gina thuis aankwamen, kreeg ik mijn bed toegewezen en werd ik volgepropt met muffins. De moeder van Gina maakt de lekkerste chocolademuffins, ik moet een manier zien te vinden om haar mee te smokkelen naar Canada.Even de familie voorstellen: Gina, Jan (moeder van Gina, spreek de naam trouwens uit als Jen (van Jenny)),Ron (de vriend van Jan) en Ashley (dochter van Ron, die hier ook een kamer heeft). Gina heeft nog een broer, David, die woont een deur verder en heeft dus ook de titel als buurman. Dan is er nog Penny, een 15-jarige hond die het heerlijk vindt om je voor de voeten te lopen. Mijn bijnaam is trouwens Mr Clogs.Het beeld bestaat nog steeds, overal op de wereld, dat de mensen in Nederland op klompen rondlopen.Ik heb die naam maar ook aangenomen om me voor te stellen aan nieuwe mensen, aangezien Gielen best lastig uit te spreken is in het Engels. 'Hello, my is Paul Clogs, nice to meet you.' Het leuke is dat ze pas raar opkijken als Gina of Jan begint te lachen.

Op de zaterdag dat ik aankwam hebben we niet veel gedaan, maar zondag zijn we naar een Australian Footballwedstrijd geweest, de Freemantle Dockers tegen North Melbourne. Wat een geweldige sport. Het is een kruising tussen rugby en voetbal, wat meer in de richting van rugby. Ik heb me helemaal hees geschreeuwd, maar het was het meer dan waard. De wedstrijd was een slachting in ons voordeel, dus we konden met opgeheven hoofd huiswaards keren.

Maandag werd het tijd om op zoek te gaan naar werk. Ik had dit best onderschat, want zonder werkvisum is dit behoorlijk moeilijk (slechte voorbereiding meester Paul), maar aan het einde van dedag had ik toch wat gevonden als melkman. Ze vroegen niet naar mijn visum en zei niets. Kat in het bakkie dacht ik. Tot ik de dag erop een contract moest tekenen, waarop ik mijn tax file number moest invullen en laat je hier nou net dat achterlijk, nutteloze visum voor nodig hebben.

Er zat dus niets anders op dan verder te zoeken naar werk. Gelukkig kan Jan meer dan alleen heerlijke muffins maken: Ze is tuinvrouw en ze bood me aan om met haar tuinen te onderhouden. Gezellig werken en ze betaalt best goed. Daarnaast kreeg ik in een hostel een telefoonnummer van een zekere Jim, die een liefdadigheidorganisatie runt en hij heeft backpackers nodig om voor hem te collecteren. Nou, alles is meegenomen. Het werk zelf is dodelijk saai. Je staat van 8 tot 5 voor een supermarkt met je vriendelijkste lach met een bus te rammelen, in de hoop dat mensen er wat in gooien. Om 17.00uur word je opgehaald, wordt het geld geteld in een een of ander achterbuurtappartementje en krijg je 40% van wat je hebt opgehaald. Lekker voor de collectant, maar als de collectant al 40% krijgt, kun je nagaan wat de vriendelijke man van de organisatie zelf houdt en hoeveel er daadwerkelijk naar het goede doel gaat. Het goede doel is trouwens blinde sporters (weer) een sport te laten beoefenen. Al met al heb ik deze week toch aardig wat gewerkt en verdiend, en dat zonder werkvisum. Wie zegt dat zwartwerken niet loont?

De dagen zien er over het algemeen hetzelfde uit: Overdag werk zoeken of werken, afhangende van de situatie op dat moment en 's avonds met z'n allenlekker eten, televisie kijken, kletsen en naar bed. Waar ik wel van schrokwas dat ik, toen ik een paar dagen geleden in mijn privedagboek aan het schrijven was, helemaalniet meerwist wat ik de drie dagen van tevoren had gegaan. Ze lijken nu allemaal hetzelfde. Van de actieve backpacker is momenteel weinig over. Heel typisch hoe snel je settelt als je een lekker knus onderkomen hebt gevonden. Mijn drang om te reizen is momenteel redelijk ver richting het nulpunt gedaald. Op zich is dat niet zo erg, aangezien ik nu geld moet verdienen, maar hopelijk komt die drang wel weer als ik op 30 juni naar Sydney vlieg. De weekenden besteden Gina en ik trouwens wel goed om vanalles te doen en te bekijken. Nu is ze een week voor haar naar Adelaide en Melbourne om daar een jongen uit Zuid-Afrika rond te leiden. Dinsdag komt ze terug, dus dat betekent dat ik me tot die tijd zelf moet amuseren. Gelukkig ben ik daar best goed in geworden sinds de afgelopen negen maanden. Bovendien is er genoeg werk te doen, dus ik mag niet klagen.

Wat me de laatste tijd het meeste bezig houdt, is de vraag of ik uberhaubt wel terug wil naar Nederland. Australie is echt een geweldig land en Perth is een superstad. Er zijn heel veel verschillende nationaliteiten, er is vanalles te zien en te doen en iedereen is vriendelijk. Een stom voorbeeld: Iedereen, maar dan ook echt iedereen bedankt bij het uitstappen de buschauffeur. Dat hoef je in Nederland niet te verwachten van al die PVV-stemmers. Wat een achterlijk land zijn we geworden.Oeps, een politieke uitspatting. Gelukkig ben ik niet meer in China.Hoe langer ik in Australie zit en hoe meer ik hoor en nadenk over Nederland, des te minder zin krijg ik om daar weer mijn oude leven op te pakken.

Heet en nat

De trip met Thijs zit erop, de camper wordt vandaag ingeleverd en morgenvroeg vloeien de emmers met tranen op het vliegveld, maar het was een geweldige tijd.

We hadden anderhalve week uitgetrokken om langs de oostkust naar boven te rijden en deze tijd hadden we ook echt wel nodig om te zien en doen wat we in gedachte hadden. De trip langs de oostkust begon dus bij Surfers Paradise (Lloret, gratis stappen, afin, jullie kennen dit verhaal) en van hieruit gingen we naar Brisbane. Brisbane was een hele warme en welkome stad. We liepen rond en we hadden allebei het gevoel dat we door deze stad met open armen werden ontvangen. Het winkelcentrum was heel gezellig om doorheen te wandelen en in tegenstelling tot menig ander grote stad, was het leeuwendeel van de mensen vriendelijk en niet continu met zichzelf bezig. Het is was hier overigens wel extreem duur, net zoals in de rest van Australie trouwens. Voor een G-Starhemd betaal je hier makkelijk het dubbele en voor een broodje bij de Subway anderhalf keer de prijs.

Vanuit Brisbane reden we naar Rainbow beach. Driewerf hoera voor het laagseizoen! Niet alleen was het veel relaxter in dit anders overtoeristisch dorpje, maar er waren nu geen parkeerwachten, dus konden we gratis en ongestraft op een parkeerplaats op zo'n honderd meter afstand van het zalige strand kamperen. De volgende ochtend hebben we nog doorgebracht aan het strand. Dit was de eerste keer sinds ik vertrokken ben dat ik eens lui aan het strand heb gelegen. Beter laat dan nooit.

Na Rainbow Beach reden we naar The Town of 1770, het plaatsje waar Captain Cook hier in 1769 (haha grapje, had ik jullie tuk he) aan wal stapte. Ook hier weer hetzelfde verhaal: Toeristisch gat, niets te doen vanwege het laagseizoen, dus beperkten we ons tot een rondje lopen over de kade en boten bekijken. Het strand stelde geen donder voor, dus hadden we geen reden om hier te lang te blijven hangen. Wel was er een heel mooi uitkijkpunt, vanwaar je de zee op de klippen kon zien slaan. Dit blijft toch een machtig natuurverschijnsel.

Van hieruit reden we verder richting het noorden. Rond het eind van de middag reden we langs de Capricorn Caves. 'He grotten. Ziet er wel indrukwekkend uit. Effe kijken?' 'Jow.' Entree was 25AUD en iedere cent absoluut niet de moeite waard! Er zou een indrukwekkende kathedraal zijn, waar componisten over de hele wereld naartoe kwamen om de accoustiek te beluisteren en waar opera's gezongen werden. Het bleek een kleine ruimte te zijn, waar alleen een paar bankjes stonden en dat was het. De 'lichtshow' bestond uit een paar lampjes en het podium was niet veel groter dan mijn bed. De accoustiek was inderdaad heel mooi, maar hier hoef ik niet zoveel geld voor neer te tellen.

En we gaan door naar het noorden, hoe kan het ook anders! Tussendoor hebben we nog een middag in Mackay in een lagoon gelegen, een rustdag die we echt wel nodig hadden, waren we nog even gestopt bij Arlie Beachen en uiteindelijk kwamen we uit in de Bowling Green National Park, vlak onder Townsville. Hier hebben we een wandeling gemaakt van zo'n vijf uur, met als hoogtepunt badderen in het koude teelbalkrimpende water onder een waterval. Over de camping renden overal kleine Walibi's rond. Super om te zien. Hoe dichter je trouwens bij het noorden komt, des te warmer en vochtiger, en dus benauwder het wordt. Menig nacht zijn we wakker geworden, badend in het zweet en op een kletsnat kussen. En nee, dat had niets te maken met chemie tussen ons.

Uiteindelijk was het onvermijdelijke en magische moment daar: We kwamen weer aan bij Cairns en de cirkel was rond. Cairns zelf heeft op zich weinig te bieden, dus hebben we nog twee dagen boven deze stad gespendeerd. We hadden de hoop om langs de Daintree River krokodillen te zien, maar blijkbaar stonken we te erg. Geen krokodil te zien. Ook wilden we door de Mossman Gorge wandelen, maar deze was na 200 meter afgezet wegens werkzaamheden. Dat is de keerzijde van het laagseizoen. Van hieruit reden we weer door naar Cape Tribulation. Een heel indrukwekkend strand, maar de weg ernaartoe was nog veel mooier. Overal waren plekken waar je de auto uit kon om een wandeling te maken door een stuk tropisch en dus heel benauwd regenwoud.

Na dit alles reden we weer terug naar Cairns. Hier wilden we een trip maken naar de Great Barrier Reef. Pas bij het vijfde tourbureau hebben we een tour geboekt naar de Great Barrier Reef. Ieder bureau vertelde weer een nieuw overgeloofwaardig verhaal, maar bij dit vijfde bureau zat een bijzonder apeteitelijke meid (en ze wist het ook, ze liep er immers mee te koop) die neutraal was. Het rondlopen en afwegen was wel de moeite waard. Wat een prachtig natuurverschijnsel. Vissen en koraal in alle kleuren, soorten en maten. Schandalig gewoon. Thijs had twee haaien en een schildpad gezien, ik alleen een haai, dus heeft hij het er beter vanaf gebracht dan ik.

Nu zitten we hier in Cairns te zweten en te wachten om onze camper in te leveren. Morgenvroeg vliegen we allebei een andere kant op:Thijs naar huis, ik naar Perth. Hier wil ik een maand blijven om te werken en geld te verdienen. Dat ga ik nu echt wel nodig hebben. Zojuist heb ik een mailtje van mijn ouders gekregen over mijn financiele situatie en laten we zeggen dat de koningin meer geld heeft. Gelukkig kan ik de komende maand wel bij Gina (weet je nog, uit Zuid Afrika) waar ik gratis kan blijven. Dit is echt super, ander moet ik de laatste drie maanden op een zakje pinda's leven.

Twee werelden

Met Thijs door Australie karren, lekker auwhoeren, kangoeroes aanrijden en Aboriginals fotograferen, dat was het beeld dat ik voor me had toen ik China achter me liet. Verder had ik totaal geen idee van wat ik moest verwachten, hoe ik me moest gedragen en welke schoenen Thijs aan zou hebben.

Toch wel wat nerveus stapte ik uit het vliegtuig. Onnodig, want voor dat ik er erg in had, stond hij voor mijn neus en waren we weer als vanouds aan het lachen, gieren, brullen. We hebben nog een dagje door Cairns gewandeld en wat foto's gemaakt. Cairns was echt een hele omschakeling voor me. Iedere keer als ik een blanke zag, en op zich waren dat er toch wel aardig wat, dacht ik dat we in een toeristenplek waren uitgekomen waar alles drie keer zo duur was. Welkom terug in de westerse beschaving Paul! Ook de hostel was heel anders dan dat ik gewend was. Zo'n 75% van de hostelbewoners zuipen zich helemaal lam, blijven tot 15.00uur in bed liggen en herhalen dit ritueel tot het geld op is. Zonde van je geld, van het land en van je leven...

De tweede dag gingen we onze felbegeerde camper ophalen en na al het papierwerk te hebben geregeld, mochten we dan toch eindelijk op weg. Links rijden, links schakelen, rechts de handle voor de lampen, gelukkig zaten de pedalen wel nog op de juiste plaats, anders was het helemaal feest. De eerste dag reden we zo'n uurtje of vier, vol van alle indrukken die het landschap ons aanbood. Iedere keer als we weer een heuveltje over gingen, doemde er weer een nieuwe heuvel op en stroomde er weer wat kwijl uit onze mondhoeken.

Ons eerste doel was om tot Ayer's Rock (in Uluru Park in het centrum van Australie) te komen, een rit van zo'n 2777km. Om dit doel op tijd te bereiken, hebben we iedere dag zo'n 700km op te teller gezet, dus dat betekende om 8.00uur de weg op en aangezien onze camper behoorlijk veel dorst heeft, konden we dus niet harder kunnen dan 100km/uur rijden. Lekker rustig cruisen over wegen die vaak zo'n 500km lang rekten en dan rond 17.00uur eens gaan zoeken naar een slaapplaats. Tussendoor bekeken we nog even Rainbow Valley en op een goede avond bereikten we Ayer's Rock. We waren net op tijd voor de zonsondergang, dus foto's maken, eten en naar bed. De volgende dag waren we er weer om 6.00uur voor de zonsopgang, reden we nog even langs de Kata Tjuta en hup door naar Kings Canyon. Hier waren we weer op tijd voor de zonsondergang, dronken nog een biertje en gingen weer naar bed. De geschiedenis herhaalt zich zegt men, dus moesten we weer om 6.00uur op voor de zonsopgang om vervolgens met een compleet nuchtere maag en zonder water een wandeling te van 6km door de Canyon te maken. Een geweldige wandeling, maar nooit meer zonder voedsel. Na het ontbijt stapten we weer in de camper (en de geschiedenis blijft zich herhalen) en op weg naar de oostkust. We gingen er stiekem vanuit dat we boven Alice Springs naar het oosten konden rijden, maar deze highway bleek onverhard te zijn. Voor ons arme campertje is dit een beetje te veel gevraagd, wat betekende dat we ruim de helft van de heenweg ook weer terug moesten. Een beetje eentonig, maar gelukkig lag er voldoende roadkill, vooral koeien en kangoeroes, die toch weer een beetje leven in de brouwerij brachten. Mijn God, op een gegeven moment reden we over een stuk weg van zo'n 23km, waar we meer dan vijftig dode kangoeroes hebben geteld. Lang leve de road train.

Na vijf volle dagen rijden kwamen we gisteren aan in Surfers Paradise, zo'n beetje de Lloret de Mar van Australie (volgens Thijs dan, in ben daar nooit geweest), hopende om hier een middagje aan het strand te liggen. Helaas was het weer depressiever dan de garderode van oudtante Trees, dus moesten we genoegen nemen met een wandeling van zo'n twee uur. Daarna zijn we nog gratis op stap geweest, (Thijs in zijn staptenue, ik in mijn korte broeken versleten T-shirt, raad een wie er meer succes had?) en rond 2.00uur waren we weer terug. Vandaag rijden we naar Brisbane en uiteindelijk moeten we weer bij Cairns uitkomen. Hier hebben we nog zo'n 12 dagen voor, dus nu kunnen we eindelijk lekker rustig gaan kachelen.

Het reizen met Thijs op zich... De eerste week samen was de moeilijkste week die ik de afgelopen acht maanden heb ervaren: Het met iemand samen reizen en dus niet meer zonder meer mijn eigen plan kunnen trekken was wennen, maar vooral de verschillen in leefstijl zorgden voor botsingen. Ik was de afgelopen acht maanden gewend en genoodzaakt om alleen te kopen en te verbruiken wat ik echt nodig had en voor mij kon dit gewoon doorgaan, omdat mijn reis ook gewoon doorgaat. Thijs heeft deze noodzaak niet gehad en voor hem is deze reis een vakantie, dus hij wilde gewoon lekker kopen en doen en het geld boeide hem niet. Hier hebben we het vaker over gehad en na een week zijn we er toch in geslaagd om allebei water bij de wijn te doen, al denk ik dat de wijn van Thijs nu toch wel iets meer aangelengd is, waar ik hem wel heel dankbaar voor ben.

Als ik terugkijk op de afgelopen twee weken, met alle ups en downs, moet ik zeggen dat ik het niet anders had verwacht en ik had ook niet gewild dat het anders was gegaan. We hebben weer veel van elkaar kunnen leren en ik heb zelf nu geleerd om mijn ervaringen van de afgelopen acht maanden op een constructieve manier toe te passen in de westerse wereld.

My name is Liu Qing Bou

Als je een jaar lang rond wilt trekken, moet je wel heel erg budget leven. Dat houdt in dat je alleen het hoognodige koopt, eet in kleine lokale restaurantjes of je voedsel inslaat in supermarkten en dat je het uitgaan beperkt tot een minimum. Dit is een leven waar ik heel snel aan gewend ben geraakt en eigenlijk vind ik het een hele prettige manier van leven. Sommigen begrijpen het niet en vinden dat ik geen lol heb. Ze zijn in een ver land om te feesten, te stappen en te zuipen. Prima, moeten zij weten, maar zo kom ik niet een jaar rond.

Vorige week werd het toch weer eens tijd om de bar op zoeken en even los te gaan. Een hele gezellige tent, leuke muziek, veel achterlijk dansende Chinezen, maar door de prijs van het bier werd het een nuchtere avond. Hier liep ik Corina weet tegen het lijf, een schat van een meid die ik in de Wu Wei Si (in Dali) had ontmoet. Zij was van de mensen die zei dat ik niet wist hoe ik lol moest maken. Blijkbaar wist zij het wel, want een half uur later stond ze buiten te wankelen, trippend op de combinatie van alcohol en cocaine die ze ergens op de kop had weten te tikken. 'Paul, help me!' 'My face is falling apart'. 'Where are you?' 'I'm diying...' 'Please don't leave me.' Het enige wat ik voor haar kon doen, was haar op de wc zetten, in bed leggen met fles water en troosten. Hoera, wat hebben we een lol! De volgende morgen heb ik haar weer opgezocht en gelukkig ging het al wat beter. Tot op de dag van vandaag blijf ik mailtjes van haar krijgen over hoe dankbaar ze me is en hoezeer zij fout zat. Meid, dat jouw manier van lol maken fout was, wist ik allang. Jammer dat je er op zo'n manier achter moet komen.

Na Yangshuo ben ik naar Guilin getrokken.Guilin zou een mooie stad zijn, maar ik zou het eerder charmant willen noemen. Toegeven, er zijn veel mooie plekken, maar het is ook heel dik aangekleed. Ik vond Guilin net een oude vrijster die op zaterdagavond in haar mooiste kleren en juwelen aan de bar zit te wachten op haar prins. Mooi van buiten, maar diep van binnen is het gewoon een stad. Geen slechte stad overigens, maar het toerisme verneukt wederom veel moois.

Ik had weinig verloren in Guilin, dus de volgende dag zat ik in de trein naar Luoyang. Dit was ook gewoon een stad, maar hier viel tenminste wel gewoon doorheen te wandelen. Wat wel typisch is voor dit soort steden, is dat je als blanke bijna twee meter lange kaaskop overal een attractie bent. Er was een klein winkeltje waar ik iedere morgen mijn ontbijt ging halen (choladekoekjes met joghurt, lekker gezond) en iedere keer kwamen er mensen naar binnen om mij mijn inkopen te zien doen. Ze stonden letterlijk in een rijtje te kijken hoe ik afrekende in mijn gebrekkig Chinees en ik bleef maar vriendelijk lachen. De titel 'Viva la diva' die ik zo'n drie a vier maanden geleden in Thailand had gebruikt, was hier beter van toepassing geweest. Op zich is het allemaal wel grappig, maar na twee maanden wordt het o zo vermoeiend.

De stad zelf had niet zo veel te bieden, maar niet te ver van de stad ligt de Shaolin Tempel en het dorpje Chen Jia Gou. De Shaolin Tempel was heel mooi, maar ook weer toeristisch (hoe kan het ook anders in China). De Kung Fushow was wel heel indrukwekkend. Foto's maken had weinig zin: Ze waren gewoonweg veel te snel voor mijn simpele camera, maar gelukkig werkte filmen wel. Ik heb alleen nog geen manier gevonden om de filmpjes op deze site te zetten zonder tussenkomst van YouTube. De belangrijkste reden om Shaolin Tempel te bezoeken, was omdat ik vond dat ik hier geweest moest zijn, niets meer dan een attractie, leuk om over op te scheppen.

Chen Jia Gou echter was iets dat ik echt gezien wilde hebben, voor mezelf. Dit kleine dorpje, dat je niet vindt op de kaart van China, is de geboorteplaats van Taiji. Het was niet heel makkelijk om daar te komen, maar echt alles zat mee. De bus zette me zo dichtbij mogelijk af, daar stopte een Chinees koppel langs de weg om een foto met mij te maken en boden me een lift aan naar het dorp (het was anders 25 min lopen, op zich ook geen probleem). In het dorp vond ik na tien minuten een student die als gids wilde dienen. Hij was echt heel aardig en kon me vanalles over de kleine dingetjes uit het dorp vertellen, waar ik anders nooit achter zou zijn gekomen. Er was een hele buitenlander in dit dorp, een 16-jarige Duits meisje die hier een jaar lang intensief traint. Respect! Ik zouhet niet kunnen. Bijna het hele dorp beoefent hier trouwens Taiji (Chen stijl) en de sfeer die hier hangt is dan ook bijna magisch, onmogelijk om uit te leggen. Alsof mijn geluk niet op kon, liep ik direct na mijn Tour de Chen Jia Gou een bus tegen het lijf, waardoor ik mooi op tijd was voor de laatste bus naar Luoyang en daar aangekomen was ik weer precies op tijd voor de stadsbus terug naar het hostel. Chen Jia Gou komt op mijn 'Places to go back to-list'

Ik ben nu echt helemaal met China. Tot die conclusie kwam ik tijdens mijn bezoek aan de lokale kapper. Ik wilde mijn kop weer kaal hebben, maar in plaats daarvan begon ze me te wassen en achteraf weigerde ze me te scheren. Normaal zou ik hier hard om kunnen lachen, maar ik was nu best opgefokt. Gelukkig vond ik kort daarna een kapsalon, waar ze wel wisten hoe het hoorde, maar ik bleef geirriteerd voor de rest van de avond. In Lianyungang heb ik meester Liu Yong de bijnaam Liu Qing Bou gekregen. Dit betekent zoiets Liu (familienaam) Heldere/Pure Golf. Ik had geen betere naam kunnen bedenken. Over het stukje helder / puur mogen jullie zelf jullie oordeel vellen, ik ben een echte golf. Zowel lichamelijk als geestelijk ben ik altijd in beweging, maar het kappersvoorval was voor deze golf toch wel een duidelijk tegen dat hij een beetje moet temperen.

Ik zit nu in Beijing, heb niets meer te doen, hoef niets meer te zien en besteed mijn tijd met het kijken van films, wat bijslapen, de was doen, dat soort dingen. Ik verheug me enorm op mijn reis door Australie. In Cairns ontmoet ik Thijs, een van mijn oudste en beste vrienden sinds mijn jeugd en samen knallen we een maand in een camper door Oost-Australie. Ik ben benieuwd hoe deze reunie gaat verlopen. Dit is de eerste keer sinds acht maanden dat ik weer iemand van thuis in levende lijve zie.

Morgen laat ik Azie achter me, dat ik ondanks alle beproevingen en toestanden echt wel ga missen. Ik ben de afgelopen acht maanden heel veel in beweging geweest. Ik hoop dat ik dit vol kan houden en ook de westerse beschaving kan overspoelen met mijn levensvreugde, sores en helderheid.

Tijd zat

Dali is de perfecte stad om bij te komen, rond te hangen, lekker wat te drinken, maar je wordt er ontiegelijk lui van. Lui zijn kan ik ook in Nederland, dus werd het tijd om weer verder te trekken. Om met de trein naar Kunming te gaan, moest ik met de bus (45 min) naar het nieuwe deel van de stad. Daar kocht ik braaf volgens het boekje mijn kaartje en aangezien de trein pas om 21.00uur vertrok, hing ik voor de rest van de dag wat rond ik dit stadsdeel. Alles was mooi geregeld en tegen vertrektijd ging ik weer eens terug naar het station. Daar kwam ik erachter dat die Truus van het loket mij een kaartje voor de dag erna had verkocht en bij Tante Truus was omwisselen onmogelijk. Boh, wat was ik pissig. Maar aangezien kwaad worden me niet naar Kunming bracht, zat er niets anders op dan terug te gaan naar het hostel, waar ik met hard gelach werd ontvangen, en terecht. Achteraf had ik nog geluk gehad ook, want mijn dagboek lag nog in het hostel. Weer het bewijs dat alles gebeurt met een reden.

De volgende dag heb ik niet veel meer gedaan dan dvd's kijken, genieten van de regen en wachten tot ik op de trein kon stappen. Om 21.00uur stapte ik op de trein en na een redelijk brakke nacht met veel tussenstops, lichten die voortdurend aangingen en veel geklets van in- en uitstappende Chinezen kwam ik om 5.30uur aan. Geduldig heb ik een uur gewacht tot de eerste stadsbus door een onvriendelijke dikke Chinese werd bemand, zodat ik uiteindelijk om 7.00uur bij het nieuwe hostel aankwam. Wegens plaatsgebrek werd ik daar op de bank gedeponeerd, heb nog wat slaap ingehaald en ben vervolgens Kunming ingewandeld. Ik had gemengde verhalen over Kunming gehoord, maar ik vond deze stad heel prettig om doorheen te wandelen. Daar heb ik voor de eerste keer in mijn leven een WalMart gezien. Yeah, wat een levensverruimer! 's Avonds ben ik met een stel op stap gegaan in een typisch Chinese club. Het kostte twee uur om er een te vinden om uiteindelijk bij een club uit te komen die om de hoek van het hostel lag. Ik ben er nog steeds niet over uit of dit een homoclub was of niet, maar ik was de attractie van de avond. De avond lang werd ik aangestaard en uitgenodigd door net iets te foute jongens. Ach, je bent er maar een keer, dus besloot ik om het spelletje mee spelen en ik heb er een hele gezellige avond aan overgehouden. Chinezen kunnen overigens absoluut niet dansen!

Ik heb mijn tijd genomen om Kunming te bekijken. Zo heb ik nog een dag besteed om de bioscoop te vinden, heb nog wat typische stadsfoto's gemaakt en heb nog wat oefeningen gedaan in een klein parkje. Chinezen vinden het trouwens geweldig om een westering taiji te zien beoefenen in het park. Na de derde dag was het tijd om weer op de trein te stappen. Vlak voordag ik vertrok, kwam ik erachter dat ik mijn onmisbare en prachtig gedetailleerde kaart van China kwijt was. Ik kon het hostel wel tot op de grond toe platbranden, maar aangezien ik geen lucifers had, zat er niets anders op dan naar de trein naar Guilin te gaan, waarvoor ik trouwens al bijna te laat was. Toen ik daar aankwam, kreeg ik ze echt op mijn sodemieter van de conductrices. Kom op zeg, ik had nog twee minuten over.

Mijn doel was niet Guilin, maar Yangshuo, een klein mooi plaatsje net onder de grote stad. Overal word je overvallen door chauffeurs die je voor een "special price" naar Yangshuo willen brengen. In mijn woordenboek staat "special price" synoniem voor "hello, I'm a friggin' rip-off". Tussen alle vriendelijke afzetters vond ik toch mijn weg naar het busstation en uitendelijk de juiste bus. Yangshuo is echt een wonderschone plek, maar helaas ben ik niet de enige, met als gevolg dat dit plaatsje vol zit met toeristenwinkeltjes. Vandaag heb ik met mijn Franse kamergenote een fiets gehuurd en zijn we door de rijstvelden en de dorpjes gefietst. Echt een ongelofelijk prachtig landschap en ik heb mijn camera weer eens flink laten knallen. Het enige probleem is dat de mensen nooit op de foto willen, dus zat er niets anders op dan de stiekeme respectloze achterbakse toerist uit te hangen. Wat een lol met de camera, zeker als je een foto weet te maken van een opa die zijn 1-jarig kleinkind voor zich houdt om hem aan de rand van het pad te laten kakken.

Morgen ga ik weer terug naar Guilin. Het landschap is prachtig, maar ik heb weinig behoefte om rond te hangen in een stad waar je het dubbele moet betalen voor een tros bananen en het driedubbele voor een biertje in een bar. Bovendien was een dag fietsen wel genoeg om alles te zien. Ik heb extra tijd genomen om ook nog Guilin te bekijken en nu ben ik daar heel blij mee. Ook hoef niet veel meer van China te zien. Voordat ik terug ga naar Beijing, wil ik alleen nog naar Luoyang, zodat ik tijd zat heb om op mijn gemak die stad te bekijken en naar Beijing te gaan. Het laatste waar ik nu nog zin in heb is tijdsdruk.

Paulus de Bosmonnik

Wu Wei Si (Wu Wei Tempel), een plek van vrede, rust en spiritualiteit.... Tot twee weken geleden. De eekhoorns vluchtten alle kanten op, de bomen verloren hun bladeren en de monniken raakten spontaan aan de schijterij, want Paulus kwam daar met z'n maatje 46 aanstampen, een schoenmaat waar ze in heel China geen raad mee weten. Serieus, ik heb in heel China nog geen passende schoenen of sandalen kunnen vinden. Echt rampzalig. Maar goed, nu niet te veel afdwalen.

Vanaf het moment dat ik bij de tempel aankwam, voelde ik de rust en het klinkt misschien raar, maar nog voordat ik een voet in de tempel had gezet, wist ik dat ik hier moest zijn. Het geluk was aan mijn zijde, want het was etenstijd en ik kon direct aanschuiven. Ik kreeg een kommetje en eetstokjes in mijn handen geduwd en hier zou ik voor de rest van mijn verblijf voor moeten zorgen. Mijn overige bezittingen werden direct overbodig door dit almachtige gereedschap. Deze avond werd er niet meer getraind, dus kon ik me na het avondeten op mijn gemak voorbereiden op de zware week vol taiji die me te wachten zou staan.

De volgende ochtend (de meest sadistische zaterdagochtend uit mijn leven) werd ik rond 5.15uur door klokkengelui en gezang gewekt, terwijl de ochtendtraining pas rond 7.00uur zou beginnen. Half slapend, half wakker heb ik deze tijd overbrugd en om 7.00uur stond ik met kleine oogjes klaar voor de training, die achteraf best wel meeviel. Een paar honderd meter naar een riviertje hardlopen en vervolgens met een steen op je bol, als het even kon zonder handen, terug wandelen naar het klooster. Om 8.00uur was het tijd voor het ontbijt, dat bestond uit dumplings (kent iemand het Nederlandse woord hiervoor?) en sojamelk. Nadat ik helemaal vol zat van dit heerlijke maal, had ik tot 9.00uur om even uit te buiken. Ik had echt niet zoveel moeten eten, want ik kreeg het zwaar tijdens mijn eerste training.

We (ik was niet de enige allochtoon in de tempel) werden helaas niet getraind door de meester zelf, maar door enkele kinderen, in bijzonder door de 16-jarige Long Fei. Hij studeerde pas zo'n drie jaar kungfu, maar met die kleine opdonder wil je echt geen ruzie krijgen. Het trainingsschema was iedere dag hetzelfde: Eerst opwarmen: Strekken, nog meer strekken, elkaar armen, benen en rug strekken en balansoefeningen. Dit duurde in totaal ruim een uur. Daarna de echte taiji- of kungfu-oefeningen, afhankelijk van wat je had gekozen. Als je voor kungfu had gekozen, kon je zo'n drie kwartier lang slagen en trappen oefenen en peentjes zweten. Koos je voor taiji, kon je gedurende dezelfde tijd heel langzaam op en neer wandelen, waarbij je iedere keer andere bewegingen moest maken met je armen. Klinkt saai, maar dit was puur concentreren en mijn benen brandden als nog nooit gevoren. Rond een uur of elf hadden we een half uur pauze, die ook hard nodig was. Het laatste half uur werd besteed aan het oefenen van de vorm.

Om 12.00uur was lunch, die iedere dag bestond uit rijst met groente. Tot de volgende training, die begon om 16.00uur, kon je uitrusten. De middagtraining was in principe hetzelfde als de ochtendtraining, alleen iets ingekort. Om 18.00uur was het tijd voor het avondeten, dat iedere dag bestond uit (alweer) rijst met groente. Rond 18.45uur was het avondgebed. De eerste drie dagen heb ik hier niet aan meegedaan, omdat ik te moe was, maar ik kwam na de derde dag toch tot de conclusie dat als je toch eenmaal in een klooster leeft, je het beter meteen goed kunt doen. Vanaf de vierde dag heb ik dan ook braaf iedere avond met het gezang meegedaan. Ik had helemaal geen idee wat ik aan het kwaken was en ik voelde me net een 7-jarig jochie dat met z'n eerste Engels popliedje meezingt. Hey, het gaat om het idee. Vanaf 9.30uur moest iedereen stil zijn en na een dag trainen was ik hier heel goed in. Op naar de volgende dag, die weer precies hetzelfde verliep.

Even enkele regels op een rijtje:

- Het is verboden voor mannen en vrouwen om in dezelfde kamer te slapen en geen seksueel contact.

- Roken, alcohol, drugs en seks zijn verboden.

- Geen korte broek, mouwloze shirts of rokken.

- Draag 's nachts (vanwege slangen) en tijdens de training geen sandalen of slippers.

- Als je de meester tegenkomt, betuig je iedere keer respect door de handen te vouwen en 'shifu' te zeggen.

- Als je het terrein wilt verlaten, laat je het aan een monnik weten, maar na 9.30uur blijf je op het terrein.

- Als je wilt relaxen, jammer dan. Het is een plaats van toewijding en inzet en hier wordt dus getraind. Zorg dus dat je altijd op tijd bent.

V oor het eten golden ook weer regels waar je toch even op moest letten:

- Je begint pas met eten als de meester het signaal geeft door 'Er mi tofo' (dat betekent 'Veel geluk', in de breedste zin van het woord) te zeggen, dat door iedereen herhaald wordt.

- Alles wat je in je kom stopt, eet je op, tot de laatste rijstkorrel.

- Als je klaar bent, sta je op in twee- of drietallen en ga je langs alle tafels waar nog mensen aan zitten en zeg je weer 'Er mi tofo'.

Eigenlijk vond ik al deze regels niet meer dan normaal in een klooster, maar in het begin was er een groep uit Israel die direct begon zeuren over de kleine dingetjes. Kom op zeg, als het je niet bevalt, sodemieter dan op. Er was er een in het bijzonder bij, die echt een luie dikke cementzak was. Hij kwam vaker ruim te laat bij het eten, voerde barweinig uit tijdens de training en liep alleen maar te klagen. Uiteindelijk kon ik hier niet meer tegen en ik heb hem hierop aangesproken. Het was misschien niet mijn positie en dit heb ik hem achteraf ook gezegd, maar hij deed wel wat beter zijn best.

Wat ik nog het meeste bewonderde aan de monniken, was hun discipline. Iedere dag, behalve donderdagmiddag en vrijdag, werd er de hele dag intensief getraind. Ik verwachtte dat ze getraind werden door de meester, maar ze deden alles zelf. Ik vraag me eerlijk nog steeds af wat de meester de hele dag deed. Ik zag hem vaker op en neer wandelen, maar nooit trainen, maar iedereen accepteert toch zonder enige twijfel zijn autoriteit. Van de week was de hele groep twee minuten te laat en mocht het hele zooitje met de benen wijd de hele ochtend op een rijtje in de brandende zon gaan staan. Op zich was dit best grappig om te zien en ze konden er zelf ook wel om lachen.

Ik was eigenlijk van plan om een week te blijven, maar na een week vond ik dat ik nog lang niet klaar was. Ik had een week taiji gedaan en wilde er nog een week kungfu aan vast plakken. Nu, na de tweede week, kan ik wel zeggen dat helemaal klaar ben. Alles doet pijn, ik ben doodop en na twee weken leven in hetzelfde ritme en zonder elektriciteit ben ik toch wel toe aan wat meer afwisseling en luxe. Ik ga zo nog even de stad in om eentje te drinken met Eva en Lorin om onze tijd samen goed af te sluiten. Ik ben benieuwd of het bij eentje blijft...

Slaapgebrek en ziek

Na de vijfde dag in Chengdu begon de sleur er een beetje in te raken en we weten allemaal wat je moet doen als de sleur erin komt: Precies, ga naar Lijiang! Ik had naar Litang, in de richting van Tibet willen gaan, maar door 'politieke omstandigheden' zijn alle wegen in die richting gesloten. Ik heb de regering in alle talen twaalf keer vervloekt, maar ik zal de details zal ik maar niet openbaar maken. Als je bij het trein- of busstationeen kaartje wilt kopen, is de standaardconversatie: 'Not possible.' 'Why not?' 'Not possible.' When can I go then.' 'Don't know. Not possible.'

De rit naar Lijiang duurde 26 uur, in een sleeperbus die met een rotvaart door de bergen knalde. In deze bus leerde ik om 26 uur plat te liggen, want dat was de enige manier om enigszins in balans te blijven en niet met je hoofd het dak te rammen bij iedere hobbel (en geloof me, het waren er heel wat. Ik ben de tel kwijtgeraakt bij 239.615) en hoewel ik 26 uur heb kunnen liggen, heb ik nauwelijks geslapen. In Lijiang bleef ik in het hostel Mama Naxi, een vrouw die net even iets te veel haar best deed om als een mama over te komen. Hier kwam ik Stefanie uit Wassenaar tegen en samen hebben we straatjes van Lijiang onveilig gemaakt: Rondgewandeld in de kleine steegjes, overal foto's van gemaakt, oude vrouwtjes beroofd, dat soort dingen. Meer dan een dag heb je in dit gat vol toeristenwinkeltes, te dure restaurantjes met Yakvlees en oude vrouwtjes echt niet nodig, dus de volgende dag gingen we naar de Tiger Leaping Gorge.

De Tiger Leaping Gorge is een berglandschap dat redelijk gevuld is met kleine dorpjes. De trek door de Gorge duurt in totaal zo'n acht tot elf uur, afhankelijk van hoe hard je doorwandelt. Je kunt zelf bepalen of je ergens tussendoor wilt overnachten, of dat je de hele tocht in een dag afmaakt. Het landschap is heel erg mooi, maar ik denk dat ik inmiddels een beetje verwend ben. Na bijna zeven maanden reizen heb ik heel veel gezien en ben ik echt niet meer snel onder de indruk, dus persoonlijk vond ik het landschap 'heel aardig'. De wandeling zelf was dikke pret, maar het laatste uur van de wandeling begon Stefanie aardig ziek te worden en waren heel blij dat we bij Tina's hostel aankwamen. Het hostel was ongelooflijk ongezellig en koud, maar iets moderner en de sanitaire voorzieningen waren aardig. Precies wat we voor deze nacht nodig hadden. De volgende ochtenn hadden we eigenlijk de tocht willen afmaken, het was nog zo'n 1,5 uur, maar Stefanie was te ziek en moest te vaak toiletteren om door te kunnen gaan, dus pakten we de minibus terug naar het beginpunt. De weg terug was helemaal opengebroken en na een half uur schudden in de bus, moesten we eruit om over rotsblokken te klimmen en nog een half uur te lopen. Echtlijp en Stefanie werd steeds zieker. Arme meid.

Vanaf het beginpunt kun je de bus pakken naar terug naar Lijiang of verder naar Shangri-La, een half Tibettaans plaatsje. Als hier de zon schijnt is het heerlijk warm, maar als de wolken ook maar even de pret bederven, verandert dit plaatsje op 3200 meter hoogte direct in een ijsparadijs. Shangri-La was zo ver in de richting van Tibet als we konden komen, maar veel verder moesten we ook niet gaan. Stefanie had een bed nodig. In Shangri-La heb ik het mijn missie gemaakt om voor Stefanie te zorgen. Zeven maanden lang heb ik alleen maar voor mezelf gezorgd en van tijd tot tijd ben ik ook door anderen geholpen, dus mocht ik nu wel iets voor een ander doen. Bovendien had ik niet veel zin om heel veel te doen, dus dat kwam goed uit. Ik bleef rond het hostel en ging alleen van huis om eten in te slaan en na anderhalve dag in bed en de onbeschrijfelijke warmte van mijn uitstekende zorg, kon Stefanie weer op eigen benen staan. In Shangri-La is een groot klooster, de belangrijkste uit de Yunnan-provincie en echt de moeite van het bezoeken waard. Helaas vinden meer mensen dat, zodat ze hebben besloten om toegangprijs binnen een jaar te verdrievoudigen. Het klooster was heel mooi, maar het dorpje eromheen vond ik veel mooier. Hier wonen de monniken in hele eenvoudige huisjes. Echt geweldig om te zien. Aan het einde van de dag gingen we nog even langs bij een klein tempeltje, dat ik door zijn soberheid en eenvoud eigenlijk veel indrukwekkender en mooier vond dan dat klooster.

Om 20.00uur dezelfde dag vloeiden de watervallen, klonken de klaagzangen en jammerden alle moslimvrouwen ter wereld, want het moment van afscheid was daar. De nachtbus naar Dali vertrok en ik zou om 5.00uur aankomen. Dat leek me nog wel redelijk en ik had het hostel van tevoren geinformeerd, dus het moest helemaal goed komen. Wat was ik toch weer lekker naief. De busrit was hetzelfde als de vorige (bonk bonk kots) en na twee hele uren slaap werd ik om 3.00uur afgezet. Ik was doodop, had honger als een kat en ga in die conditie maar eens naar je hostel zoeken. Ik heb in totaal anderhalf uur rondgekuierd voordat ik daar aankwam. De inchecktijd was om 7.30uur, dus het was me nog even niet gegund om naar bed te gaan. Gelukkig is Jade Emu het meest relaxte hostel waar ik ooit ben aangekomen: Gratis internet, een hele relaxte tv-ruimte en een schone wc, dus alles wat ik nodig had, was voorhanden.

Ik had gehoord dat Dali behoorlijk toeristisch moest zijn en dat is het ook, maar ik vind dit wel een hele mooie plaats en het is heel makkelijk om de toeristische plekken te vermijden en echt China te leren kennen. In dit hostel, gerund door een Australier die echt weet wat de reiziger nodig heeft, tref je ook iedere dag weer nieuwe mensen. Dus als je je hier verveelt, is het echt je eigen schuld. Als klap op de vuurpijl kwam ik er vandaag achter dat er in Dali een klooster is, waar je voor 30 euro per week kunt blijven, om te leven als een monnik. Alsof dat nog niet genoeg is, kun je daar ook Taiji en/of Kung Fu beoefenen. Dit was precies waarnaar ik op zoek was en als ik dit gedaan heb, heb ik in China eigenlijk alles gedaan wat ik hier wil doen. Ik heb dan nog meer dan genoeg tijd over om rond te trekken en op mijn gemak China nog beter te leren kennen.

Balans: Geen Yin zonder Yang, geen pieken zonder dalen

Volgens mij had ik de vorige keer al verteld dat ik bij Master Liu Yong was beland. Ik heb eerlijk gezegd niet de moeite genomen om mijn laatste update nog eens door te kijken... Luie, luie ik! Even voor de zekerheid: Master Liu is een Taiji (Tai Chi in het westers) meester en traint zo goed als iedereen die daar behoefte aan heeft. Hij is enorm bekend in zijn provincie en in de rest van China doet zijn naam ook wel een degelijke kerkklok rinkelen.

En daar was ik dus, in Lianyungang, een naam die ik tot op de dag van vandaag nog niet goed kan uitspreken, bij master Liu om mijn Taiji Chuan* (ja, dit is een voetnoot!) op te poetsen. Ik beoefen al twee en een half jaar Taiji Chuan, maar zo heftig heb ik nog nooit getraind, zelfs niet in het Muay Thaikamp in Thailand. 's Ochtends om 8.50uurwerd ik opgehaald van mijn veel te luxe hotelkamer om met de oefeningen te gaan beginnen. Eerst een half uur lang oefeningen doen om mijn gewrichten te openen, daarna een half uur lang bewegingsoefeningen en vervolgens anderhalf uur lang de 'vorm' (de bewegingen die we allemaal wel kennen van filmpjes op YouTube) oefenen. Zijn favoriete woord was 'again'. Iedere keer als ik klaar was: 'Again'... 'again'....'again'. Soms klonk het: 'Okay, follow me.'Gevolgd door het bekende 'again'...'again'.....'again'.... Dit duurde tot ongeveer half twaalf,want rond die tijd kwam zijn dochter uit school.Na zijn dochter thuis te hebben afgezet, gingen we naar eengoed restaurant en daarna mocht ikweer naar bed. Na een anderhalf uur slapen stond Master Liu weer voor de deur. Tijd voor de middagsessie. 'Again'...'again'...'again'... Toen ik de eerste morgen wakker werd, moest ikmijn onderbenen er weer aan lijmen.Mijn knieen hebben nog nooit zoveel geleden als in deze dagen.

Ik benin totaal vijf dagen in Lianyungang geweest, iedere dag met hetzelfde ritme en ik heb hier een geweldige tijd gehad. Nietalleen vanwege de Taiji, maar ook omdat ik overal mee naartoe werd genomen: Debesterestaurants, een theehuis, de tempel op de Monkey Mountain waar we gingen eten met een monnik, een strand, overal waar ik maar naartoewilde.Ook ontmoette ik veel studenten vanMaster Liu en kreeg zo de kans om mijn sublieme Chinees bij te spijkeren. Maar na vijf dagen wilde ik wel weer op eigen houtje verder. Ik ben hier niet om onder, weliswaar warme,vleugels te leven en ik verlangde weer naar de hostels. Bovendien had ik maar voor vijf dagen betaald. De vijfde dag pakte ik dan ook de nachttrein naar Xi'an.

Het Terracottaleger in Xi'an is een van de dingen die je gezien moet hebben als je in China bent, maar wat is Xi'an voor de rest een takkestad. Ik kwam aan om 9.00uur, ging naar het busstation, kocht een kaartje voor de bus en werd in een minibus geduwd. Ik had beter moeten weten, want in plaats van dat deze bus me naar het leger bracht, kreeg ik eerst een tour langs allerlei bezienswaardigheden, waar ik helemaal geen interesse in had, maar wel voor moest betalen. En zoals jullie weten, heb ik er een gruwelijke hekel aan om als een kuddedier behandeld te worden, terwijl er tegen me wordt aangezwetst in het Chinees. Helemaal aan het einde van de dag gingen we dan eindelijk naar de aardewerk soldaatjes, waarvoor ik inmiddels veel te moe was om er echt van te kunnen genieten. Gelukkig ontmoette ik twee Chinese studenten die net zo over de dag dachten als ik en 's avonds namen ze me mee naar een klein studentenrestaurantje waar we gezamenlijk de hele dag konden vergeten. Ach, zulke dagen moeten er ook zijn. Deze dagen maken de volgende dag weer extra mooi.

Dezelfde vond nam ik de nachttrein naar Chengdu (spreek uit: Changdu). Zestien uur lang op mijn luie gat liggen, heerlijk. Ik baalde eigenlijk wel een beetje toen de trein arriveerde. Chengdu vind ik een hele fijne stad. Mijn hostel ligt midden in een Tibettaanse wijk en het is ook echt een ervaring om te zien hoe deze mensen leven. Ze zien er ook heel anders uit dan de Chinezen. Aan de ene kant zien ze er smerig uit, maar tegelijkertijd hebben ze een hele fijne blik in hun ogen, wat ze weer een bepaalde schoonheid geeft. De eerste twee dagen heb ik weinig gedaan, behalve rondkuieren met Bodei, een meid uit Amsterdam. Ik heb lang meer zo gelachen als met haar. Samenmoesten we naar de verhalen luisteren van George, uit Ghana. Ik weet nu alles over besnijdenissen en over hoe dit mijn sexleven beinvloedt.

Chengdu staat bekend om zijn panda's en die moest ik natuurlijklijk gezien hebben. Geweldige dieren: Ze doen de hele dag helemaal niets, behalve eten en slapen. Om ze te zien eten washilarisch.Ze liggen er volledig ongegeerd bij, komen alleen overeind om wat bamboe te pakken en vallen dan weer terugop hun rug met de benen wijd. Ze leken echt net mensen in pandapakken.In tegenstelling tot andere dieren hebben ze een duim en vijf vingers, waar ze heel handig gebruik van maken. Als ze niet zo lui waren, hadden ze waarschijnlijk al het vuur ontdekt. Vandaag ben ik nog naar de Giant Boeddha geweest. Ook heel indrukwekkend, maar weer extreem toeristisch. Ik was hier dan ook heel snel klaar mee en ik heb eigenlijk weinig behoefte meer om nog veel bezienswaardigheden in China langs te gaan.

Even over China en Chinezen in het algemeen: China is een geweldig land en ik vind de Chinezen geweldig, maar ze hebben manieren waar ik echt niet aan kan wennen: Uitgebreid roggelen en spugen, luid slurpen en smekken, smerig! Maar dit is vooral de oudere generatie. Je kunt zien dat de jongere generatie anders en meer ontwikkeldis. Rondreizen in China is moeilijk, omdat alles in het Chinees geschreven staat, maar veel mensen staan wel klaar om je te helpen. Het land zelf is op veel plaatsen best verpest. Toen ik in Zuid-Afika, Thailand en India in de trein of bus zat, was het een genot om naar buiten naar de landschappen te kijken. Hier in China kijk je tegen fabrieken en werkterreinen aan. Ze hebben trouwens wel mooie parken in iedere stad en daar ga ik altijd graag naartoe.Het verkeer is zoals iedereen het wel kent van de cliches: Druk, drukker, drukst. Iedereen rijdt er door elkaar en met name de buschauffeurs zijn verschrikkelijk. Zo zat ik vandaag in de bus met een chauffeur, wiens smoelwerk op half 7 ging en waar de kwijl nog net niet uitliep. Hij dacht dat hij het monopolie had op ieder stuk asfalt in China. Hij wrong zich met zijn negen meter lange bus overal tussen en iedere keer als hij vond dat hij niet genoeg plaats had, ramde hij op de claxon. Over de Chinese overheid zal ik maar wijselijk mijn mond houden. Ik wilde eigenlijk morgen naar Lhasa, maar 'wegens politieke omstandigheden' is dit gebied weer eens een keer gesloten voor buitenlanders. Nou ja, dan maar naar het zuiden. Mijn tour de China wordt zo wel iets korter, maar ik heb dan wel meer quality time in iedere stad.

* Er is een verschil tussen Taiji en Taiji Chuan: Taiji is de filosofie, de gedachtengang die bepaalt hoe de mensen hun leven invullen. Taiji Chaun is de vechtunst, die is afgeleid van de filosofie.

Ik weet het, ik had dit best in de tekst boven kunnen verwerken, maar ik vond het gewoon leuk om er eens een voetnoot tegenaan te gooien.